Djinn – Hoofdstuk 2

Kreunend krul ik me op en trek mijn dekbed over me heen. Kobus trekt het dekbed opzij en kruipt naast me met zijn kop dwingend tegen mijn hand aan duwend. Na Kobus tien minuten vol zelfmedelijden te hebben geknuffeld, besef ik dat hier op bed blijven liggen er niet voor gaat zorgen dat ik weer het podium op kan. Allereerst zal ik weer een band moeten hebben.              
   Ik zwaai mijn benen over de rand en loop naar de keuken. Eerst koffie. Ik trek mijn neus op bij het zien van de vuile vaat. Niet eens netjes bij elkaar. Overal staat wel wat. Ik zucht. Ik heb nu echt geen zin in de afwas. Koffie! Ik moet koffie. Anders ga ik het vandaag niet trekken. En dan maar eens kijken of Alex en Marc interesse hebben om de band weer nieuw leven in te blazen. Zo niet dan moet ik op zoek naar andere muzikanten. Ik bijt op mijn lip. En onze oude gitarist Daan? Sexy Daan? Ik zucht als ik denk aan zijn gespierde lijf. Daan speelt nu al een tijdje in de succesvolle band Mirage. Met een zangeres die ik niet kan uitstaan. Ze is te perfect met haar slanke lichaam, blanke gave huid en vlammend rode krullen. Mirage was vorig jaar zelfs nog op televisie. Verdomme. Ik bijt weer op mijn lip. Au. Het is een irritante gewoonte die ik maar niet schijn te kunnen afleren. Daan. Die komt natuurlijk nooit terug. Moedeloos laat ik mijn hoofd hangen. Dat wordt een andere gitarist.  
   Ik staar uit het raam, terwijl de Senseo met veel kabaal het zwarte vocht in mijn favoriete mok spuugt. Genietend snuif ik de geur op. Misschien zo toch maar een boterham. Ik wrijf over mijn verstoorde maag. Of toch nog even niet. Lichtelijk ontmoedigd laat ik me op een eetkamerstoel zakken en trek mijn laptop naar me toe. Een zacht snorren vult de ruimte terwijl het ding opstart. Ik neem kleine slokjes van mijn koffie terwijl ik nadenk over wat ik nu wil. Wat ik zelf wil. Niet wat anderen verwachten wat ik wil.       
   Ik bijt op mijn wang. Het is niet zo moeilijk. Eigenlijk is dat maar één ding: ik wil zingen! Ik wil weer op een podium staan! Mijn hele ziel en zaligheid in mijn optreden gooien. Slurpend van mijn koffie denk ik aan de stapel nooit afgemaakte nummers die op me liggen te wachten. Nummers die voornamelijk zijn geschreven in mijn meest donkere periodes. Boos op mezelf. Boos op mijn ex. En boos op de rest van de wereld. Boos, boos, boos. Misschien toch ook maar eens met een ander thema komen.        
   Mijn gedachten dwalen weer af naar het optreden van gisteravond. Gisteren was echt een lichtpuntje in mijn saaie bestaan. Oh herstel. Een lichtbaken! Op dat podium besefte ik dat zingen datgene is wat ik het liefste doe. Zingen is mijn leven! Hoe kon ik dat nu vergeten? Hoe kon ik het enige dat echt belangrijk voor me is, zo verguizen? Ik merk dat ik weer dreig weg te zakken in een aanval van acuut zelfmedelijden.
   Ik verman mezelf. “Niet doen, Romy,” mompel ik. “Je weet wat je wilt. En je weet dondersgoed dat jezelf opsluiten met een fles wijn er niet voor zal gaan zorgen dat je band weer bij elkaar komt. Je zal zelf die eerste stap moeten zetten…
   Shit! Wat als ze niet willen? Jezus, dan moet ik op zoek naar een compleet nieuwe band. Het idee alleen al, zorgt voor een lichte paniek aanval. Als gisteren een voorbeeld was van wat me te wachten zou kunnen staan, hoef ik er niet eens aan te beginnen.             
   Met een knoop in mijn maag van de zenuwen doe ik de laptop weer dicht. Eerst maar eens verzinnen wat ik tegen de jongens ga zeggen. Ik moet wel met een plan komen. Maken we een doorstart? Houden we dezelfde naam of beginnen we helemaal opnieuw? Het hangt natuurlijk ook van hen af. Ik kauw op mijn lip. Waarom kan ik niet gewoon bellen en zeggen: ‘Hé, jongens! Zullen we de draad weer eens oppakken?’ Ik schud mijn hoofd en kreun. Misschien eerst een paracetamolletje of twee en dan pas een boterham.
   Ik heb mijn stoel nog niet naar achteren geschoven, of Kobus krult zich om mijn been. “Ja, dikzak. Ik kom eraan,” mompel ik goedmoedig. “Je wilt zeker eten?” Ik wrijf over mijn maag en zucht nog eens diep. “Kom.” zeg ik nog eens overbodig tegen mijn rode kater. Ik loop achter hem aan naar de keuken en trek een blik kattenvoer open. Automatisch vul ik zijn voederbak en slof naar de douche. Misschien knap ik daarvan op. Tenslotte zijn douche en toilet voor mij de beste creatieve spots in huis. Misschien krijg ik hier goede ideeën om mijn wens in vervulling te laten gaan.

Djinn – Hoofdstuk 1

Vol passie stond ik op dat podium. Ik had gisteren echt alles gegeven. Echt? denk ik bij mezelf. Vol passie? Met een diepe zucht gooi ik mijn telefoon opzij en verberg ik mijn hoofd in mijn handen. Ja! Echt. Stelletje klootzakken. Haantjes.           
   Eigenlijk wist ik het al bijna vanaf het begin. Er was beslist geen klik tussen mij en de meeste muzikanten in deze haastig samengestelde band. Ik werd zelfs compleet genegeerd. Met moeite getolereerd. Het was een hard gelag. Maar ik heb me niet laten wegpesten. Het leek wel een samenzwering. Die irritante geluidsman had zelfs mijn microfoon weggedraaid. Gelukkig heeft het publiek er helemaal niets van gemerkt. Tenminste, het is me niet opgevallen. Ik ben gewoon opzij gestapt en heb een andere microfoon gepakt. Samen met Robbie heb ik in één microfoon staan zingen. Ging best goed. Hij was ook één van de weinigen die geen problemen had met een vrouw in de band. Tenminste dat dacht ik. Totdat ik zonder pardon werd af geserveerd per sms.  
   Ik kijk weer op het display van mijn mobiel: “Sorry Romy. Bedankt voor je bijdrage gisteren. We hebben besloten door te gaan met deze band, maar helaas is er geen plek voor jou. Groetjes.”     
Groetjes? “Klootzakken!” grom ik hardop. Ik snuif luid. Ik voel mijn tranen opwellen. Ik weiger echter te huilen. Ze zijn het niet waard. Het leven als slachtoffer van bullebakken heb ik al een jaar of tien achter me gelaten. Ik laat me toch niet opnieuw op mijn kop zitten? Nee. Niet weer! Ik snuif weer en uit een gefrustreerde kreet. 
   Kobus, mijn rode kater, kijkt me verbaasd aan vanuit het raamkozijn. Ik grijns naar hem. “Hoi, lompe dikzak,” zeg ik zachtjes, als hij me zacht mauwend komt begroeten. “Jij zal me nooit wegsturen toch?” Ik krabbel onder zijn kin. “Hé, zolang ik je omkoop met eten, in ieder geval niet zeker?” Luid spinnend laat Kobus zich mijn liefdesbetuigingen welgevallen. Ik glimlach. Wat is het leven van een kat toch heerlijk simpel. Geen normbesef. En geen ambities om hun klaagzang op een podium ten gehore te brengen. Ze doen het gewoon waar ze willen. En als dat toevallig bij jou voor de deur is, dan zij het zo.               
   Ondanks dat ik voor mijn plek op het podium heb moeten vechten, heb ik intens genoten. Het was te lang geleden. Met een diepe zucht laat ik me achterover op mijn bed vallen. Mijn hoofd bonkt als een bezetene. Mijn maag geeft aan voorlopig geen voedsel te kunnen verdragen. Volgende keer iets minder drinken, dame.Ik weet nu al, dat dit een moeilijk punt zal worden. Maar ik wil weer zingen. Zingen en optreden! Ik mis het zo erg dat het bijna zeer doet. Laveloos op het podium staan kan ik me dus niet meer veroorloven. Niet als ik iets wil bereiken. Ik ben natuurlijk geen Amy Whinehouse. En wat heeft het haar uiteindelijk opgeleverd?